boomdeslevensIn het scheppingsverslag in het Oude Testament lezen we dat de Heer “de boom des levens in het midden van de hof” van Eden plaatste “benevens de boom der kennis van goed en kwaad” (Genesis 2:9).

Uit Lehi’s droom leren we dat de boom des levens de liefde van God voorstelt die zich door Christus’ verzoening openbaart. De vruchten van de boom zijn op hun beurt een zinnebeeld van het eeuwige leven dat de grootste van al Gods gaven wordt genoemd (1 Nephi 8; 11:21–22, 25; 15:36).

Na de val werd Adam uit de hof verdreven en stelde de Heer “ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken” (Genesis 3:24).

De tempel is de plaats waar wij symbolisch terugkeren naar de boom des levens en door verordeningen en verbonden worden voorbereid om eens de vruchten van de boom des levens te kunnen ontvangen.

Menora

Aangezien de hof van Eden een prototype voor latere tempelbouw is gebood de Heer Mozes bij de bouw van de tabernakel: “Gij zult een kandelaar van louter goud maken, van gedreven werk zal de kandelaar gemaakt worden, het voetstuk zowel als de schacht; de bloemkelken, met knoppen en bloesems, zullen daarmee één geheel vormen” (Exodus 25:31).

Deze menora of zevenarmige kandelaar is een weergave van de boom des levens. Dat de menora het uiterlijk van een boom moest hebben wordt duidelijk uit de gedetailleerde omschrijving die de Heer gaf. De armen van de kandelaar lijken op de takken van een boom. De “bloemkelken, met knoppen en bloesems” benadrukken de levenskracht van de boom.

Ook in de Den Haag tempel zien we in de glas-in-loodramen een symbolische voortzetting van de boom des levens en menora terug. Aangezien de zon door de ramen de tempel verlicht fungeert deze gestileerde boom des levens heel passend als een menora. Alhoewel, een oude bron vermeldt dat de tempel van Herodus geen ramen bevatte om het zonlicht door te laten, maar om het goddelijke licht dat zich in de tempel bevond naar buiten te kunnen laten stromen, de wereld in (zie Pesikta de-Rav Kahana Pisqa 21:5; Exodus Rabbah 36:1).

Net als bij de menora hebben de heiligen de opdracht hun licht brandende te houden om in Gods tegenwoordigheid terug te kunnen keren. De leden wandelen dan ook bij het licht van de Heilige Geest “in nieuwheid des levens” (Romeinen 6:4).